Rol PBC-rapportages weigerende observandi

Sinds de eeuwwisseling is het aantal weigerende observandi in het Pieter Baan Centrum (PBC) aanzienlijk toegenomen.

Waar rond 2000 sprake was van weigering bij 15% van de observandi, is dit in 2009 gestegen naar boven de 50% en dit percentage lijkt sindsdien weinig te zijn veranderd.

Wanneer een observandus weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek dan heeft de rechter de bevoegdheid om op basis van een eigen beoordeling van het rapport en/of andere informatie die voorhanden is (bijvoorbeeld eerdere pro Justitia rapportages en reclasseringsadviezen) een oordeel te vormen. Uit onderzoek blijkt dat rechters merendeels meegaan in het advies van het PBC, als het PBC een advies heeft kunnen uitbrengen. De vraag is nu in welke mate de rechter zelf een oordeel velt en een TBS-maatregel oplegt bij weigerende observandi, wanneer het PBC-rapport geen (of beperkt) gedragskundig advies bevat. Want hoewel rechters de bevoegdheid hebben om zonder gedragskundig advies een TBS-maatregel op te leggen, achten velen zich daartoe onbekwaam.

Binnen het PBC wordt een onderscheid gemaakt tussen twee groepen weigeraars. De eerste groep wordt de 'harde weigeraars' genoemd, observandi die elke vorm van medewerking weigeren.

Daarnaast is er nog de groep van 'moeilijk onderzoekbaren'. Deze groep bestaat uit observandi die aan bepaalde delen van het onderzoek wel meewerken en aan andere delen niet. Hoewel bij beide groepen weigeraars de hoeveelheid informatie die verkregen kan worden beperkt zal zijn, is het niet ondenkbaar dat het onderzoekend team alsnog waardevolle informatie weet te genereren. Bijvoorbeeld door observaties op de groep, dossierinformatie of, bij moeilijk onderzoekbaren, door informatie die is verkregen uit onderzoekdelen waar wel aan is meegewerkt. Omdat deze informatie in bepaalde gevallen voldoende houvast kan bieden voor de rechterlijke macht om alsnog gronden te vinden om een TBS-maatregel op te leggen, kan informatie in de PBC-rapportage ook bij weigeraars een essentiƫle rol spelen.

De praktijk wijst uit dat rechters terughoudend zijn in uitspraken omtrent toerekenbaarheid en het opleggen van een TBS-maatregel zonder gedragskundig advies. De vraag is echter geldt dit voor beide groepen weigeraars? Of zal de rechter significant anders oordelen in het geval van de moeilijk onderzoekbare, daar er over deze groep toch meer informatie voorhanden lijkt te zijn?

Het huidige onderzoek tracht daarbij als tweede vraag te beantwoorden wat de rol is van de PBC-rapportage in het geval van harde weigeraars. Hoewel er wellicht geen conclusie of advies aanwezig zijn in de PBC-rapportage, kan de rechter voldoende informatie vinden om te voldoen aan het stoornis- en gevaarscriterium? Gebruikt de rechter hiervoor alsnog de PBC-rapportage of worden andere bronnen aangeboord?

Betrokken onderzoeker: Arthur van Rhijn
Geschatte looptijd: onderzoek voltooid; publicatie in voorbereiding